Home
Index
Baarlo Heerlijkheid
Baarlo na 1794
Baarlo kerk
Kessel Heerlijkheid
Kessel  na 1794
Kessel  kerk
Land en Ambt Kessel
Overkwartier v.Gelre
Hist.  documenten
Contactformulier

                Schepenbank Zegel Baarlo                                             Schepenbank gebouw Baarlo circa 1650

                                                                                                                     Onder de schepenbank de kerk poort

 

100

In het dorp Baarlo gelegen 7 km ten zuiden van Venlo op de westelijke Maasoever, zijn 4 kastelen gelegen. Naast de zogenaamde kastelen of versterkte huizen staan er in Baarlo twee riddermatige huizen. Het betreft de Borcht en de Raay die beide eigenaren destijds onder bepaalde condities toegang verleenden tot de zitting der Staten van het Overkwartier.
De heerlijke rechten van het dorp Baarlo waren, voor 1673 aan geen van de kastelen verbonden. Deze rechten kwamen toe aan de graaf die zich in 1339 Hertog van Gelre mocht noemen.
Deze rechten behelsden bijvoorbeeld het recht op de uitoefening van de rechtspraak, het recht om de scholtis, schepenen en bode te benoemen en de vervallen boeten te innen.
 Kortom een complex van rechten behorend bij de lage rechtspraak.
De heerlijkheid Baarlo had de hoge jurisdictie.
Hoe en op welke wijze Baarlo onder het bestuur van Gelre kwam is nog niet achterhaald.
Algemeen wordt aangenomen dat Baarlo eens deel uitmaakte van het bezit, dat door graaf Hendrik V van Kessel in 1279 aan graaf Reinald van Gelre verkocht werd.
In 1673 verkocht de koning van Spanje als hertog van Gelre al zijn heerlijke rechten, zo ook die van het dorp Baarlo.
Op 28 april 1674 werd Frederik Bertram van Laer beleend met één helft  van de heerlijke rechten van Baarlo. De andere helft kwam in handen van Johan van Holonien (Hologniën zu Neden).
Zowel de halve heerlijkheid van Van Laer als het kasteel de Borcht werden diverse malen als onderpand gesteld voor geleende bedragen. Op een gegeven moment werd de terugbetaling steeds moeilijker. Uiteindelijk verkocht de familie van Laer op 22 april 1690 haar bezittingen in Baarlo aan Johan Baptist de Bierens, deken te Aken, die tevens de grootste schuldeiser was.  Zijn neef Johan Baptist Joseph de Bierens werd na schenking met deze goederen beleend. In 1762 vererfden de Baarlose Bezittingen naar Willem Raymond de Bierens, de laatste telg uit deze familie, hij was grootdeken van Aken en vermaakte bij testament al zijn goederen aan Hendrik van Erp. Deze familie heeft het kasteel in bezit gehad tot 1962, toen het werd verkocht aan de gemeente.
De andere helft van de heerlijkheid  was vanaf 1674 in het bezit van de families Van Holloniën, Van Pollart, van Rhoe d’ Obsinnich en van Olne, totdat in 1750 de familie van Bierens in het volledige bezit kwam der heerlijkheid. 

H. Brueren
november 2002

1 M. Flokstra De Borcht te Baarlo 2000
2 W. Goossens RAL 16.1117 kasteel Baarlo

 

101
GRENS VASTSTELLING IN TWEEHERIG BAARLO 1738

De heerlijke rechten van het dorp Baarlo waren voor 1673 aan geen van de kastelen verbonden. Deze rechten kwamen toe aan de graaf, die zich in 1339 Hertog van Gelre mocht noemen.
Deze rechten behelsden bijvoorbeeld het recht op de uitoefening van de rechtspraak, het recht om de scholtis, schepenen en bode te benoemen en de vervallen boeten te innen.  Een complex van rechten behorend bij de lage rechtspraak. De heerlijkheid Baarlo had de hoge jurisdictie.
Algemeen wordt aangenomen dat Baarlo eens deel uitmaakte van het bezit, dat door graaf Hendrik V van Kessel in 1279 aan graaf Reinald van Gelre verkocht werd.
In 1673 verkocht de koning van Spanje als hertog van Gelre al zijn heerlijke rechten, zo ook die van het dorp Baarlo.
Op 28 april 1674 werd Frederik Bertram van Laer beleend met één helft  van de heerlijke rechten van Baarlo. De andere helft kwam in handen van Johan van Holonien (Hologniën zu Neden).  Later na enkele generaties kwam Baarlo in het bezit voor ene helft van baron van Bierens en de andere helft van baron d’Olne.
In onderstaand afschrift van de overeenkomst van verdeling worden de rechten van de grond bepaald en kan men zien waar de grens was.

Sijne Majesteijt Glorieusen gedachtenisse Karel den Tweede Koninck van Hispanien etc. Bij de akten van vercopinghe ende overdracht van de heerlijkheid Baerlo ons het recht gegeven hebbende van te planten op de gemeijne wegen ende gemeijntens etcetera …soo is het dat wij ondergeschrevene om ons recht te gebruijcken daer ontrent verdeelen gelijck wij verdeelen mit deese den ‘ grondt van de voorsegde heerlijkheijdt in der voegen dat de gemeijne beecke van de maese tot aen de watermolen daerop staende, ende den wegh uijt het dorp lopende tussen het huijs van Tilman Kessels ende Enger goedt passerende aen den Staldijck in eene perpend uilaire linie de voorsegde jurisdictie sal schijden in tween ende dat volgens dese verdeelinghe den heere Baron van d’ Olne de st. halim etc. sal hebben het onderst deel ende den heere Baron van Bierens het bovenste hetwelcke wederseijts geaccepteert hebbende verbinden wij ons ende onse naercomelingen Heeren van Baerlo onder verbintenisse als naer rechten ende costuijmen van noodt daertegens te sullen gaen maar in tegendeel altijd bundigh goet ende van waerde te sullen houden.Deese verdeelinge waeromme wij willen dat deese conventie ter eeuwige gedachtenisse sal worden gesteld op het prothocolle der Heerlijckheijdt Baerlo d’ oirconde hebben wij wederseijt onderteijckent ende met onse aengeboren adelijke pitschappen becrachticht Baerlo den 13 oktober 1738 onderstont het pitschap van Heere baron d’ Olne in roden lacke gedruckt en was onderteekent le Baron d’ Olne. Daerneffens het pittschap gedruckt in roden lacke van den Heere baron van Bierens en was onderteijkent baron van Bierens. Deese met d’ originale gecollectioneert bevondente accordeeren bij mij van der Keelen, secretaris.

RAL 16.1117 nr. 100  

© H. Brueren

 

102       

BELASTINGKANTOOR TE BAARLO 1679

In Baarlo was ten tijde van het Spaans Overkwartier gelegen aan een belangrijke doorvoer route van de handel van Italië naar Engeland per wagen, er was een belastingkantoor gevestigd zoals blijkt uit onderstaande teksten, op 19 december 1679 vanwege de landvoogd vanuit Brussel de navolgende zaken verordonneerd:  

“ESTAT DE MODERATION" VAN DE RAAD VAN FINANCIËN TERZAKE VAN IN- EN UITGAANDE RECHTEN  

De lijst bevat een opsomming van artikelen waarvan de uitgaande rechten gereduceerd worden. Daarnaast worden de invoer- en transitrechten, te heffen van goederen afkomstig uit Engeland en de Republiek, die niet in de lijst worden genoemd, gesteld op twaalf stuiver per honderd last. Hetzelfde geldt voor Franse produkten bestemd voor doorvoer naar Engeland en de Republiek. Voor zover die produkten bestemd zijn voor doorvoer over land, via Vlaanderen, Brabant en Gelderland, naar het Duitse Rijk en Italië, moeten er paspoorten en "acquittes à caution" worden gelicht. In de kantoren van Roermond, Venlo of Baarlo kan men de nodige certificaten à décharge verwerven. De bepalingen van 16-12-1670 blijven van kracht, zij het dat de voorgeschreven declaratie aan de commies van Zijne Majesteit te Keulen, voortaan te Roermond, Venlo of Baarlo gedaan kan worden.

ORDONNANTIE VAN DE RAAD VAN FINANCIËN TERZAKE VAN DE TRANSITO-HANDEL VAN ITALIË NAAR ENGELAND

De verordening behelst voorschriften voor het vervoer van zijde en brokaat, afkomstig uit Italië en bestemd voor Engeland, door Jeremie Hagens en François van Pruyssen. Voor deze stoffen moeten invoerrechten worden betaald te Roermond, Venlo of Baarlo; de uitgaande en convooirechten zijn verschuldigd in Oostende. Te Roermond, Venlo of Baarlo moet de lading worden gecontroleerd aan de hand van bijgaande cedulen, alvorens de kisten en balen voorzien zullen worden van het loden transit-zegel. De wagenvoerders ontvangen een "acquit de payement", dat zij onderweg aan de officieren van in- en uitgaande rechten moeten tonen. Deze acquitten moeten te Borgerhout worden ingewisseld tegen een "acquit de caution" voor de reis naar Oostende. De gestorte borgsom zal worden terugbetaald na het overleggen van een douane-verklaring uit Oostende, waaruit blijkt dat de lading in zijn geheel is uitgevoerd. De landvoogd verleent bovendien sauvegarde aan bedoelde transito-handel en vermaant de lokale overheden om op het alarm van de wagenvoerders onmiddellijk de klok te trekken en te hulp te snellen.  

Bron: plakkatenlijst A.M.J.A. Berkvens

 © H. Brueren (Oktober 2006

 

103

ZOUT VERPACHTING TE BAARLO in 1771

In de Pruisische tijd was het zout erg belangrijk. Er zijn indertijd diverse plakaten (verordeningen) over verschenen waarin de gang van  zaken door de Pruisische regeerders werdvoorgeschreven.                                                                                                                                                      In Baarlo werd het zoutmeten verpacht zoals uit onderstaande transcriptie uit de schepenbank Baarlo  blijkt.

Verpachtinghe van het soudt van den 1 juni 1771 tot juni 1772 Conditien onder de welcke naer gedaene kerkcke publicatie de regeerders van Baerlo sullen verdoen het uijtmeten en verkoopen van ’t soudt tot Baerlo beginnende met den 1 e junij 1771 en eijndigen met laeste meij 1772. 1.Eerstelijck sal het soudt blijven voor de Regeerders soo te verstaen dat den aennemer moet maeken een pertinente Lijste die met de saltboeken overeen komt. 2. Den aennemer sal met het salt geene last hebben als alleen het uijtmeten. 3. Wordt het salt meten uijtgeset tegens twee guldens Cleefs par ton en sal een ijder vrijstaen voor minder tantieme te presenteeren. 4. Minstbiedende sal het saltmeten verblijven en sal gehalden sijn te betaelen aen vragt par ton eenen gulden Cleefs en ten eijnde van ’t jaer van sijnen ontfanck en uijtgave behoorlijke reekeninge doen, ter presentie van de regeerders. 5. Den aennemer sal sorge dragen dat het salt op sijnen tijdt wordt gehaelt te weten met quartaelen oft aen d’ Regeerders bekent maeken, hoe veel nog resteert en bij foute van sulks sullen de onkosten van executien op hem verhaelt worden. 6. Den aen-nemer sal gehalden sijn het spint uijtte meten tegens agt pont Venloos gewigte. 7. Sullen de inwoonders gehalden sijn te betaelen vijffthien stuijvers Cleefs voor het spint. 8. Den aen-nemer sal betaelen voor het maeken deser conditie 1 gld Cleefs en voor jeder Schepen daer over sittende 10 Ln en den boode 5 Ln Cleefs.

Verbleven aen Jan van Hees vor eenen gulden en negen Stuijvers Cleefs.

Oirconde Baerlo den 26 junij 1771 Jan van Hees Joannes  Mevissen

RHCL 01.029 nr. 3120 (C) H. Brueren (Oktober 2006)

 

104

HOF DE VOORT TE BAARLO 1447

Gedeelte uit het leenboek van de Hertog Arnold van Gelder uit de jaren 1428, 1447 en 1449. Hieruit blijkt in 1447 naast de genoemde hoeve Tongerlo te Sevenum (op de grens met Maasbree) ook een hoeve was gelegen te Baarlo bij de Helling genaamd "der Voirt". (Een voort was een doorwaadbare plaats bij een beek.) De voormalige boerderij De Voort, op welke plaats thans nog een woonhuis staat met een gelijknamige aanduiding is in de nabijheid van "De Kwistbeek" in de Helling te Baarlo.  Hierbij een gedeelte van de originele teks van het leenboek en de transcriptie:

Extract uut hertouch Arnolts van Gelder lehn- boick Anno XXVIII des maenendags post Agatha (dit is 9-2-1428) ontfieng Arnt van Blitterswick die heerligheit van Blitterswick mitter kerkckgifften van Blitterswick ende van Wanssem ende voirt die lehnmanne dair toe gehoerende, gelich dat van alde gelegen is tot een en Kuickschen leensrechten etc. Manne herr Roeliman van Arendale ridder heer tot Weil, Johan van Oije greve to Ubbergen ende Henrich Coellekenn van Loynen.

Ex codem libro In den jair ons heeren MCCCCXLVII des vrijdags nae den sondaig Miserecordia Domini (dit is 28-4-1447) hefft Arnt van Blitterswick mijnen genedigen heeren to lehen gemackt den hoff tot Tongerloe gelegen in den kerspel van Sevenhem ende den [b]hoff der Voirt in den kerspel tot Baerle[/b] gelegen mitten laytschappen tot Vorst mit allen hoeren toebehoir in verbeterniss orss leens sijns huiss tot Blitterswick voorschr. beheltelick doch Lisbethen Arnts huistrouw voirss hoire tocht an den hott tot Tongerloe mit sijnen toebehoir ende beleenden dair mede Johan van Blitterschwijck sijnen altsten soin in behoiff Arnts voirss. tot eijnen Kuickschen leensrechte mannen Johan van Boidbergen erffmarschalck ende Johan van Groisbeke de Jonge

Ex edodem libro Anno ex. XLlX sabbatho post Viti (dit is 21-6-1449) onttieng Johan van Bijeter schwick die herligheit van Blitterschwijck mitten tienden, kirckgiftten leenmannen ende allen hoiren toebehoir soe die van alts gelegenn die hoeve tot Tengerloe ende Ter Voirt mit hoiren toebehoeren gelijck voirschreven steit mannen Johan van der Donck ende Johan Spede ende meergoedermannen. 

RHCL Schepenbank Broekhuizen.
© H. Brueren (oktober 2006)

 

105

MOLEN OP SOETERBEEK 1604

Het betreft de belening in 1604 en 1612 van de molen behorende tot het huis Broekhuysen door de stadhouder van de lenen welke molen gelegen was op Soeterbeek te Baarlo.
 
Molen tot Soterbeck beleent fol. 12

Beleen yck Geryt Vynaen(?), stadthelder der lhenen gehorende tot den huys Bruchuysen in stat mijnens lyven heren Gweydo va Malsen, her tot Bruchuysen  und Kessingen, doen kondt unde bekennen in desen apenen lhenbryff overmyts mannen van lhen mijnens here vurscreven Deryx Feren, Jan Bouten van Bry , belen unde belent heb Geryt Jan Hylkens soen to Bry an dy mulen tot Zoterbecke mitz allen oren toebehoer woe dy waren als bynnen dy fyer vergen in den kerspell van Bry und Barlo gelegen ys mitz der beeck dese acht foet wijt vursen(?) sall dar niet van utgescheyden tot eynen kluppelllhen thoe verhergeweisen mytz fyer suare enckel overlentsche rijnsche goldtgulden als myt recht verschijnt [los?] unde ledych wort hyrvan Geryt Jan Hylkens soen huId unde recht gedaen voerbehalden den her und iderman sijnens gueden rechten, dyt ys myt weten Dryssen Peter Hermens soen bewyllycht dat Geryt Jan Helkens soen van Bry dyt ihen hefft van sijnder wegen ontfangen anno 1604.
Anno 1612 is heir in 't meines housse to Brochussen verdragen so toforen tou... gewest is gefallen als vanwegen der pattinge tussen dey oere wegen als boven vurscr., so is verackordeirt dat Peter Schros so deix und dresgh gebroeken sael dat seij dat tosamen tofreden sein sollen sonder ergh und lest in orkont der wareit oufer und aen gewest als lenmannen Derick Verfren, Jan Bolten und so dock als verfeIt und leidich is sael Peter Verhoufte seinne erfen tot den lein tovoer komen einnen gholdtgholden gescheidt beij meij Jan Rameckers, statheller des linsboek des hous to Brochussen, waervan seij malekanderen godt bescheit van gefen sollen waer seij niet wender und keren sollen tot datselve stock.

Bron: RHCL Schepenbank Broekhuizen.

© H. Brueren (oktober 2006)

 

106     

HET MAESHUYS TE BAERLO 1782
Onderstaande tekst geeft de voorwaarden voor de verpachting van het Maeshuys te Baarlo, een boerderij daarnaast de veerdienst over de maas in het jaar 1782. Het Maeshuys was gelegen aan de linkerkant op de hoek van de huidige weg naar het veer, waar de weg een scherpe bocht naar links maakt. Het veer was toen gelegen bij de bocht recht door. Eigenaar - verpachter was Baron d’Olne, toen wonende op kasteel De Berckt.

“Geft aan pachting voor het huys, vehr, land, weijden etc 500  guldens Cleefs jaerlijks, aen backhoudt bekomt pachter 300 dennenschansen, ofte 200 andere, pagter sal het huys noch nieuw sijnde in reparatie onderhouden op sijn costen, maer so door hagelslagh, storm, wind, groot water ofte kriegs verderf daeraen schade quam, sal de reparatie sijn tot laeste  van hr. verpaghter: en soo de Maess in de keuken van ’t vorschreven huijs quam te staen en pagters daardoor genootsaeckt woorden uijt  hetselve sich te retereeren soo sal jun eenmael voor hetselve jaer van Meij tot Meij geremitteert woorden 40 guldens Cleefs.

Hr. verpagter ende pagters sullen alle reparatien der verschuijten, ponten, aecken etc. ider ten halven betaelen, te verstaen hr. verpagter sal den arbeitsloon aen de timmerluijden ten halven betaelen ende pagters de aendere halfscheid, daerbenevens hun kost, dranck en logie geven en de hr. verpagter sal de noedige materialen, als houd, ijzer en naegels etc fourneren. Maer 1783 den 17e februari heft hr. verpagter met pagters contrahiert, dat sij den den arbeitsloon loon van alle reparatie van de scheepen betaelen sullen alleen ende het noedig werck daertoe leveren, ook de helfte van den jaer betaelen sullen. Waertegens sij genieten eenen morgen maessweert met de witzen eindigende aen Enger beek ende heer verpagter heft voor het jaer 1782 aen sijn halfscheid voor reparatie betaelt 25 gulden clefs.
De veerscheepen sijn tot laeste van de pagters, so door hun versuijm daer aen schade quam. Alle kleene geredschaepen sijn  tot laste van de pagters alleen, voor ijder voetplanck, soo aen den voorslagh gemaekt woord, sallen pagters betaelen 1 stuyver clefs.
Pagters sullen vrij overvaeren alle dewelcke sijn tot dienste van den hr. verpagter en alle dewelcke den hr. verpagter sal gelieven, als ook den heer van Kessel en wat den heer verpagter zal coopen en verkoopen. In geval dat bij oorlog de veerscheepen weggenomen woorden, sal aen pagters pro rato der tijdt dat sij niet hebben konnen profiteeren remitteert worden. Ingeval dat militairen overgevaeren worden sal hiervan de helfte de heer verpagter profiteeren. Pagters sullen geen veergeld meer forderen als van ouds gebruickelijk is en geen pasagiers laeten wagten en so sij aene een of aendere conditien quaemen te manqueren soo sal aenstonds de pagting cesseeren en soo sij eenen knegt van de hr. verpagter laeten wagten en niet terstont overvaeren, sullen sij voor ijder reijs verbeuren 1 gulden en sullen ook betaelen de verteeringe der geene die doer hun versuijm aen de overkant van de maess ’s nachts sullen moeten logeeren.”
Bron: RHCL 16.0521 nr. 2180  
© H. Brueren (oktober 2006)

 

107     

VRIJSTELLING VAN EXTRAORDINAIRE DIENSTEN

De heerlijkheid Baarlo was tijdens een oorlog vrijgesteld van extraordinaire diensten zoals uit onderstaande blijkt.

Specificatie soo van d’ adelijke als voordere goederen dewelcke ingevolgh van berichten  door de Regenten der Heerlijkheden  en Gemeentens van dit Gelderse District in voldoeninghe aen s’ hoffs ordonnantie van   den 4 Martij a.r. overgegeven int presteren der extraordinaire diensten geduerende desen oorlogh tot hiertoe exemt gebleven sijn: BAERLO In dese Heerlijkheijdt bevinden sich het Huys de Borch Baerlo en het Huys Raij beide Riddermatigh.

Het huis De Birckt soude voor dato niet gedient hebben. Der oirsaecke de Besitters van’t selve waeren geweest mitheeren tot Baerlo, dat den tegenwoordigen besitter den heer Baron d’ Olne continueerde den selven vrijdomb te genieten voorts de volgende ses hoven*  van’t presteren der extraordinairen diensten eximeerden onder voorgeven dat sij dienaengaaende soude vercregen   hebben een special previlegie van vrijdomb ende dat dienvolgens d’andere ingesetene de diensten voor de voorgemeldte heeren moesten doen, dewelcke meestal ¼ deel van de geheele gemeente uijtmaeken, dus mittet Huijs de Birckt .
Van schepenen ende gemeentsmannen word gheene mentie gemaeckt.

In de kantlijn:
als Douvenhoff, Fridesen hoff, Coosdonckshoff, Stockmanshoff, het Veerhuys, den Gemeentsbosch
(zie ook onder Overkwartier van Gelre)

RHCL 16.0503 d’ Olne Baarlo inv. nr. 10 (  Okt 2006)

© H. Brueren  (oktober 2006)

 

 108      

MOORD IN BAARLO IN 1757

Onderstaande moord vond plaats nabij kasteel de Raay

Den ondergeschrevene chyrusijn geroepe sijnde doer den here scholtus der vreijherlicheyt van Barlo bij het doodt lichaem van Martinus Gommans verklaert naer alvorens hetselve gevisitert te hebben in presentie van het gericht der vreijherlichyt van Barlo gevonden te hebben eene schuet op den rugh met hagel penetrerende de hagels door de spina dorsy aen de rechter sijde andere tot bynen het lichaem en herte wardoor gekoemen is dat alle de bloedtvaeten van het herdt aefgeschoten sijn ende het herdt op 4 a 5 plaetsen doerschoeten is hetwelck alles gedemonstrert hebbende soo verklaere alsdat de wonde absolut doedelijck is.

Actum Barlo den 7 august 1757
w.g. Henricus Geraedts chyrusijn

© H. Brueren (okt.2006)

 

109     

PAARDENDIENSTEN 1726

In vroeger tijden dienden hand en spandiensten worden verricht voor de heer van de heerlijkheid en de gemeenschap. De inwoners in het bezit van een of meerdere paarden moesten hiermede arbeid verrichten. Er waren schijnbaar problemen over de gang van zaken en dit werd in onderstaande verklaring van de schepenbank van Baarlo geregeld.

Alsoo wij ondergeschreven schepenen ende geswoerens dese heerlijkheijdt Baerlo bij dageliexe experientie ende hoe langer hoe grootere nurmareingen ende clachten mit redenen bevinden onder d’inwoonders alhier dienende mit een peerdt over den last, die sijen dyen aengaende, in alle voorvallende occasien, dagelix moeten doen tot merckelick voordeel van de groote hoven, die van oude tijden gehouden zijn geweest, te dienen met dry peerden, ende nu eenige jaeren herwaerts in alsoo te dienen hebben beginnen beginnen te manqueren, so is bij ons onderschreven, om alle questien voor te comen, geresolveert ende vastgesteld, dat de groote hoven, hebbende dry peerden, sullen gehouden wesen te dienen met desen verstande nochtans, dat soo sij gebaedt worden buyten dorps te dienen, voor die reyse met twee peerden sullen konnen volstaen ende bij de eerst naest volgende ordre mit het derde peerdt den resteerenden dienst sullen bijdoen, ende suppleren, ende dat dee halve hoven vans gelycken sullen gehouden wesen te dienen mit twee peerden, gelijck die mit een peerdt bouwen, oock mit een peerdt moeten dienen, alles conform de reguleringhe  van de billeteringhen, soo ende gelijck sulx van alle tijden costumelijck is geweest, ende dat bij manquement van alsoo te dienen d’ onwillige mit  recht daertoe sullen worden geconstrengeert  verzoeckende de gebiedende Heeren dese resolutie te willen approbeeren ende dijen aengaende de stercke handt te verleenen in oirconde hebben wij deese resolutie onderteijckent tot Baerlo den 13 april 1726
Jan Lemmen, Hendrick Buerskens, Jochim Beurskes, Hermen Verbraemhorst, Guert Bongaerts, T. Kessels

Bron:RHCL 3120 Schepenbank Baarlo (oktober 2006)

© H. Brueren  (okt.2006)

  1. 110

    PAARDENDIENSTEN BAARLO 1793

    In de heerlijkheid Baarlo hadden de inwoners de plicht jaarlijks te dienen voor de kasteelheer.  

    Lijste der paerden dewelcke jaerlijks moeten dienen den Hoogedelen Hooggeboren Heere, Baron  van Erp, heere tot Baerlo etc. etc. voor den jaere 1793


    Geurt Linssen                         met 2 paerden,       op de Kleene Birkt
    Jan Ingenoet                          met 2,                   op Doeven
    Joannes Göerts                       met 2                    onder aen Eind
    Gerardus Peeters,                    met 1                    aen molen
    Jacobus Holten,                       met 1                    Maeshuys
    Antoon Arets,                          met 1                    Velgert
    Willem Zegers,                        met 1                    Velgert
    Gerardus Linssen,                    met 1                    Velgert
    Mathijs Bruijnen,                      met 1                    Velgert
    Joachim Peeters,                      met 1 1/2               Stokmans
    Willem Roux,                           met 1                    Hoogendries
    Gerardus Janssen,                    met 1 1/2               Roffaerts
    Wed. Reiner Beurskens,             met 2                    Hoever
    Wed. Christoffel Kessels            met 1 1/2              Hoefacker
    Wed. Willem Engels                  met 1                    aen de Trap
    Wed. Willem Peeters                 met 1                    Bongers
    Jacobus Beurskens                   met 1                    in ’t Dorp
    Arnoldus Beurskens                  met 1                    aen de Sprunck
    Leonardus Smits                      met 1                     in ’t Dorp
    Cornelis Smits                         met 1                     in ‘t Munster
    Arnoldus Hoeben                      met 1                     in de Hel
    Jacob Jacobs                           met 1 1/2               aende Voort
    Willem Kessels                        met 1                     aen Huyssen
    Reiner Janssen                        met 1                      Diepenbroek
    Peter Tuenissen                       met 1 ½                  Groothummeraij
    Hendrik Linssen                       met 1                     op den Bosch
    Willem Holtackers                    met 1                      op den Bosch
    Hermanus Stikkelbroek              met 1                     Klaeshof
    Marten Veekens                       met 1 ½                  Soeterbeek aen Eind
    Hendrik Janssen                      met 1                      Litjes
    Joes van den Schoot                 met 1                     Schoots
    Hendrik Louwen                       met 1                     Soeterbeek
    Mathijs Janssen                      met 1                      Soeterbeek
    Joannes Verhaag                     met 1                      op Grubben
    Wed. Peter Coopmans              met 1                      Soeterbeek
    Mathijs Hermans                     met 1                      Somp
    Mathijs Heldens                      met 1                      Schans
    Peter Janssen                         met 1                     groote Bongh
    Hendrik Jacobs                       met 1                     Kempkes
    Willem Dorssers                     met 1                     kleen Bongh
    Joannes Beurskens                  met 1                     Kruijs
    Hendrik Göerts                       met 2                     Boeket
    Jacobus Simons                      met 2                     Raij
    Geerit Wolters                        met 1                     aen de Heij
    Hendrik Janssen                      met 1                     in de Heur
    Wed. Mathijs Wolters               met 1                     Scheres
    Wed. Joes Beurskens               met 1                     Staldijk
    Wed. Willem Jacobs                 met 1                     aen de Weem
    Petrus  op Heijs                      met 1                    Driessen
    Gerardus Timmermans             met 2                     Monekijen
    Petrus Hermans                      met 1                    Pratwinkel
    Jacobus Coopmans                  met 1                    aen d Hart
    Willem Peeters                       met 1                    Braemhorst
    Gerardus Ingenoet                   met 2                    Coosdonk
    Theodorus Korsten                   met 1                    Schafelt
    Hendr. Bosch                          met 1                   Schafelt

    © H. Brueren  (okt.2006)

111        

DE SPRUNCK TE BAARLO

Onderstaand de trancriptie van een stuk betreffende de openbare aanbesteding betreffende het opmaken van de openbare wasplaats, de Sprung geheten, welke nog steeds aanwezig is, maar nu de Sprunk genoemd wordt. De aanbesteding vond plaats in het midden van de 19e eeuw. De bron is nog steeds aanwezig.

Den Sprung te maken 40 voet lang en 16 voet breed en anderhalven voet diep als hij tegen-woordig is en rontomme met vaaschienen te battenen vast te maacken paalen, ider paal een voet

van malkanderen, alsmede de faschinen metrossen te bekleeden; de sluyse moet goed sufficantvan eyken 2 duymsche planken, breed 1½ voet
en van vooren met 2 duymsche planken, dyt te maacken en den Sprung voor 2 jaaren
t'onderhouden en sal 't hout tot de fachinen van de gemeente aengeweesen worden, alsook dry waschstoelen en een houtere vloer voor de waschstoelen om op te staan, soolang als noodig is, ende sal de aenneemer deser ...ost eene hegge van doorne planten pooten binnen de leunen en moet den aenneemer  dese hegge in tijd van 6 jaaren in staet leveren op pene dat in contrairen val sulx op sijne  kosten sal verhaalt worden, opgehangen op 100 gulden en opgegaan tot op 200 gulden, aengemijnd bij Peter Opheijs.
Ten tijde van 't branden der kertse is nog afgemijnd 71 gulden en naar uytbranden derselve
verbleven aen J: Holtackers, en heeft dese ten effecte vandien eygenhandig geteeckent. 
[w.g.]  Joannes Holtackers

© H. Brueren (oktober 2006)

 

112     

CONFLICT DE SPRUNCK IN 1620

Conflict over het planten van bomen bij de Sprunck door Jonker van Laer in 1620

 De heer der heerlijkheid  had vroeger het recht bomen te planten op “gemeene gronden”.

De bevolking was daar niet blij mee aangezien de grond bij de Sprunck werd gebruikt om de was te “bleijcken”.  Er werd een proces gevoerd voor het hof van Gelder in Roermond, zie onderstaande transcriptie. Toen werd er dus al lange tijd de was gedaan in de Sprunck.

Aan den Hoven van Gelderlandt. Verthonen seer ootmoedelick die Schepenen, Gesworenen ende gemeine ingesetenen des kerspels Baerloe, hoe dat inden selfsten kerspel voor of onder die kerkcke gelegen is seecker gemeinplaets den Speulhoff genaemt waer in is gelegen een schoon water sprunck, jeder tijdt schoon water gevende, die welcke plaetse der supplianten huijsfrouwen ende vrouwen, gesinne, onverdenckliche jaeren hebben gehalden, ende gebruijckt, voor een gemeijn bleijck om allerhanden lijnwat daer op te wassen, netten ende bleijcken ende all ist saecke dat der supplianten huijsfrouwen ende gesinnen in sulcken aldan gebruijck ende posessie onverhortes rechte niet en behoren getrubeert te worden. Soo oft nochtans zoo dat desen onaengesien Jonker Henrick van Laer onlangs sich onderschreven heeft die voorsegde bleijcke met wilge pooten doorgaents te beplanten ende oversucke die selve bleicke totten voorsegde gebruijck onbequaem te maecken, ten opsegen daer bomen staen geen lijnwat gelacht can worden ende t’gene daer onder soude mogen liggen vanden vmber belet ende vande affvallende blaederen bedorven wordt. Waerom die supplianten genootsaeckt worden hun hier over aen U Edelen ende eerw. t’ addresseren, seer dienstelick biddende dat den hove gelieve hun supplienten in den voorsegden alden gebruijck ende posessie te mainteneren, aen hun verleenende brieven van maintenu den  voorssegde Jonker Henrich van Laer te belasten dat hij die voorsegde pooten ende jonge beplante boomen salhun wech nehmen ende alle beletsel der voorsegde bleijckerijen aengedaen affschaffen onder den reserve daer hij vermeent naer eenich recht ten epetitoir opte voorsegde gemeijne bleijck te hebben, dat hij dieselve voor desen hove sal intenteren. Dit doende uth  ende was geapppostilleert T’hof   decerneert brieven van coicatie aen Jonker van Laer omte reschriboren van binnen acht dagen nae informatie

Actum tot Ruremonde den 10 e julij 1626 Ende was onderteekent .J van Kerckhoven

Bron:RHCL 01.029 nr. 9  
©H.Brueren(oktober 2006)

 

113                                                                                                                                                                                                                                             

Boerderij Boekenderhof was gelegen aan de Napoleonsbaan Zuid te Baarlo. Thans is er Stal Hendrix gevestigd. 

Deze eeuwenoude boerderij was eigendom van de Karthuisers te Roermond. Aan de hand van pachtcontracten kunnen de vroegere bewoners worden achterhaald.

1574 Henrich Beurskens & Geertgen seine huysfrouwe voor 12 jaar tot  1586

1592 Henrich Beurskens & Geertgen seine huysfrouwe voor 12 jaar tot 1604[1]

1601 Heyn Verboecket

1607 Hein Verbocket en Wulm sein sohn 12 jaar tot 1619

1613 Heijnen Bocket ende Wilhelm seinen sohn voor 12 jaar[2]

1620 Heinrich Verbocket[3] & Gertien  seijne egte huysvrouw 12 jaar tot 1632

1631 Willem Beurskens & Grietgen seine huysfrouwe voor 8 jaar

1653 Wilhelm Beurskens & Grietgen sijne egte huysfrouwe 8 jaar tot 1661[4]

1657 Hein Beurskens & Gertruijdt van Kijen sein huysvrouwe[5]  voor 6 jaar[6]

1661 tekst  in  latijn met opsomming van 8 punten

1685 Hendrick Janssen afrekening vanaf 1685-1692

1699 Hendrick Janssen zaliger voormalig halfman Boekenderhof beslag gelegd

1721 Joachim Hendricks & Jencken Brouwers eheluijden voor 6 jaar[7]

1731 Joachim Hendricks is nog pachter en is gehuwd met Helena Graevendijck (2 e huw)

1729 verpachting van het gewas en overeenkomst inzake levering granen

1734 Marten Beurskens & Elisabeth Mewissen voor jaar  tot 1742 (inv.nr. 292)

1754 Marten Beurskens & Elisabeth Mewissen voor 12 jaar  tot 1766

1760 tussentijds verlengd

1760 Marten Beurskens & Elisabeth Mewissen voor 12 jaar van 1760 tot 1772

1772 Joannes Beurskens & Margaretha Heijmans voor 6 jaar tot 1778

Afrekening  van Grietgen weduwe van Willem Beurskens als pachteres van de bouwhoff en de tiende  van de Hof van de Karthuysers 31-08-1663 (invent. Nr. 292)

Bron: RHCL14.D049 nr. 290

(C) H. Brueren februari 2007

Noten:

[1] Hof wordt genoemd: Convents hoff

[2] hof wordt genoemd: Carthuysers Cloosters hoff

[3] Ondertekend met Heijn ob den Bocholt

[4] Hof wordt genoemd Bockholt

[5] op achterzijde informatie over de gerichtsdagen in Baarlo  in 1658 – 1659 en 1660 het convent werd vertegenwoordigd door A. Pelgrom van  Venlo. (declaratie  verteringen) de gerichtsdagen in 1658 waren te Baarlo op: 25 nov. en in december.  In 1659 op: 28 jan- 14 juli – 27 okt in 1660: 1 maart -

[6] hierin worden genoemd: 8 melkgevende koeien, 4 runderen, 100 schapen, 4 goede trekpaarden met veulen, 1 zeug met 8 biggen.

[7] Hof wordt genoemd : op den Boecholt

 

114

Het Cruys Valderen en de Enke Voord

Een belangrijke plaats in het dorp Baarlo anno 1749 was het Cruys Valderen.

Een valderen is volgens van Dale:  “een om een horizontale as scharnierende deur die men kan oplichten of laten vallen tot afsluiting van een opening”.

De tegenwoordige Grote straat  heette vroeger de Cruys-straet. Deze liep vanaf de kerk door tot op het tegenwoordige kruispunt van de Bong met de Kieënweg en de d’Olneweg. De Napoleonsbaan bestond toen nog niet. De weg kwam van Kessel via de tegenwoordige d’ Olneweg, stak de Cruysstraat over (Bong) en ging verder via de tegenwoordige Kieënweg naar de Pratwinkel en via de Coesdonck en de Hei naar Blerick. De uitgang van het dorp richting Bree, tegenwoordig Maasbree werd afgesloten door het Cruys Valderen Op de hoek langs de tegenwoordige Kieënweg was de boerderij Enckevoort gelegen. Een “voord” was volgens van Dale  een doorwaadbare plaats in een beek of rivier. Dus de oversteek van de Kwistbeek. Een brug was er niet. Een “Enk” was volgens van Dale: “geheel van (vroeger gemeenschappelijke) bouwlanden bij een dorp of buurtschap”. Deze gronden waren in de tegenwoordige Bong gelegen. Dus de “Enke-voord“ was de beekoversteek naar de vruchtbare landbouwgronden van het dorp. Hiermee is ook de naam van hof Enckevoort verklaard. Aan de tegenwoordige d’ Olneweg aan de andere kant van het kruispunt was toen ook de pastorie van Baarlo gelegen en hiernaast het huis van Peterke In der Stegen, zie onderstaande.

Aan de hand van onderstaande tekst kunnen wij een en ander reconstrueren:

 

Peterke In der Stegen huys en hoff aen het Cruys Valderen geeft jaerlijks aan Cijns eenen alden Vlems op heden den 6 oktober 1749 is gecompareert op de Borgh Baerlo Jan Staex den welcken naer doodt van Peter Staex des comparants broeder ende in desselfs plaetse sich ten vaerthinsrechten  heeft laten behanden ende te boeck setten aen een huys met een moeshoff gelegen aen het Cruys Valderen groot ongeveer een half vierendeel ter eenre sijde de Cruys straet ter andere sijde het erff van de Pastorije van Baerlo sijnde den Bongaert schiet met een voorhooft op den selven Bogaert ende met het ander op den wech lopende langs de Pastorije waervan den comparant jaerlijks verclaert te betaelen aan Chijns (einde citaat)

Bron: RHCL 16.1117 nr. 102 pag. 208 Leen en cijnsboek Heerlijkheid en Borcht Baarlo

 

Peter Staex is overleden op 23-2-1749 en was gehuwd met Gertrudis Schaefels (+7-7-1770) Zijn broer Jan Staex  kreeg het huis in gebruik. Hij was op 21-08-1740 gehuwd met  Agnes Hendrickx. Het gezin kreeg 5 kinderen.     Zij hadden 1 koe en bewerkten 1 morgen pachtgrond. Jan was daghuurder.

Zie ook onder nummer 104  HOF DE VOORT TE BAARLO 1447

Deze hof was gelegen in de tegenwoordige Helling bij de oversteek van de Kwistbeek. Ook bij deze zeer oude boerderij was vroeger een oversteekplaats, er was toen nog geen brug. De naam van het huis “de Voort” verwijst hiernaar.

© H. Brueren

 

115

 

Bouw van een brug te Baarlo in 1773

 

Onderstaand stuk betreft de condities en voorwaarden voor de bouw van een brug bij de St. Rochus kapel op de Reijsheuvel te Baarlo in 1773

 

Conditien en voorwaarden  onder de welcke naer gedaene kercke publicatie de regeerders van Baerlo publijck sullen verdoen het maecken der Gemeents oft Reijsheuvels brugge, als oock den Romp offte Canael aen het Broek valderen en een vonderen over de quisbeek.

 

Eerstelijck moet deze brugge breet sijn acht voeten en twelf voeten langh en de plancken moeten sijn 2 ½ duym dijck, vijf ribben ses en vijf duijm dijck, twee balcken van elf voeten lanck, acht en ses duijm dijck, drij paelen van seven voeten lanck, dewelcke moeten sijn acht duijm in kant;

2. De paelen aen den kant naer ‚t suijden vermeent men dat sullen blijven, edogh soo sij bij afbreek niet souden voor goet bevonden worden, so sal aen den aen=nemer de nieuwe paelen apart vergoet worden.

3. Den aen=nemer moet op de vier hoecken van de brugge eenen ancker nagelen 1 ½ voet langh

4. Item moeten aen dese brugge gemaeckt worden twee voorslagen offte vleugels op den bovenkant ses voeten langh en so hoogh als de brugge is

5. Item moeten besijden de brugh tegen de paelen oock plancken gemaakt worden van onder tot boven van 1 ½ duijm dik.

6. Sal aen dese brugge niet mogen gebruijckt worden als goet eijcken hout, sonder open te sijn of ringh te hebben.

7. De nagels moeten sijn ses duijm langh en ijder nagele een halven voet van elkanders te nagelen en wijder niet.

8. Het alt hout van de brugge sal blijven voor den aen=nemer en het geene noch bequaem sal bevonden worden sal hij aen de brugh moge gebruiijcken.

9. Den aen=nemer sal sijn gelt ontvangen naer het goet keuren van de brugh: bij den tegenwoordigen schatheffer.

10. Den aen=nemer sal gehouden sijn aenstonts te betaelen voor het maeken deser conditien en presentie van regeerders 30 stuijver Cleefs.

11. Dese brugge verveerdigt sijnde, sal besien worden van d’amptelijke regeerders en indien den aen=nemer quaat hout daer aen gebruijkt oft andere fouten gemaekt heeft sal gehouden sijn sulcks te veranderen op peene dat alle onkosten daer over rijsende op hem sullen komen.

 

Alnoch sal uijtgeset en verdaen worden aen den minst biedende den romp oft canael aen het Broek valderen.

Dit canael moet langh sijn veerthien voeten en gemaekt worden onder op palen en boven een plaet van eenen voet breet en vier duijm dick.

De palen onder moeten sijn vier en vijf duijm dick, waer in gewerckt moeten worden twelf stimpelen aen ijder kant ses, de wijde onder moet sijn twee voeten en twee voeten hoogh.

De stimpelen moeten sijn vier duijm dick, de planck voor de stimpelen moeten sijn   1½ duijm dick.

Item een vonderen aen de bovenste Quisbeek hetwelk langh moet sijn 13 voeten en vijf duijm dick, eenen voet breed.

De brugge uijtgeset sijnde is verbleven aen Jan van Hees voor drij en sestigh gulden Cleefs

Was getekend Jan van Hees.

Het canael en het vonderen uijt geset sijnde is verbleven aen Jan van Hees voor Drij en dertigh gelden Cleefs.

Was getekend Jan van Hees.

Aldus verpacht ten overstaen van de onderstaande schepenen tot Baerlo den 3e oktober 1773

Was getekend  Peter Heldens  Willem Engels

                  

Bron: RHCL 01.029 nr. 3119

© H. Brueren

 

VALDEREN =  valhek ter afsluiting van een gebied of perceel (weiland)

VONDEREN = losse brug (meestal een enkele plank) over een sloot

Duim =     2,6cm

Voet =    30,8 cm

 

116

 

DE PERIKELEN ROND DE BOUW VAN EEN GEVANGENIS EN DE ONENIGHEID IN BAARLO.

In 1700 overleed de Spaanse koning Karel II zonder duidelijke opvolger na te laten. De discussie omtrent de erfopvolging ontaardde in de Spaanse Successieoorlog van 1702 tot 1713. Het Overkwartier werd deels bezet door Staatse en Engelse troepen en deels door Pruisische troepen. Bij de Vrede van Utrecht in 1713 werd het Overkwartier verdeeld onder de Verenigde Republiek, Oostenrijk en Pruisen. Het verdrag van Venlo, opgesteld in 1543, blijft echter grotendeels van kracht. Elk afzonderlijk deel krijgt zijn Hof van Gelre, de godsdienst blijft Rooms, de adel en steden blijken een krachtig blok tegen de nieuwe overheersers. Het uit 1620 stammende Gelderse Land- en Stadsrecht blijft onverkort van kracht als wetboek voor het verdeelde Overkwartier. Deze situatie bleef gehandhaafd tot 1794 toen de Franse revolutionaire legers de zuidelijke Nederlanden bezetten

Daarvoor in 1673 had de koning van Spanje als hertog van Gelre al zijn heerlijke rechten verkocht, zo ook die van het dorp Baarlo.

Op 28 april 1674 werd Frederik Bertram van Laer beleend met één helft  van de heerlijke rechten van Baarlo. (De Borcht). De andere helft kwam in handen van Johan van Hologniën (Hologniën zu Neden). (De Berckt).  Na enkele generaties kwam Baarlo in het bezit voor ene helft van baron van Bierens en de andere helft van baron d’ Olne. Aangezien Baarlo de hoge jurisdictie had  werd de rechtspraak door de door beide heren benoemde schepenbank  uitgevoerd en moesten zij samen om toerbeurt de schout benoemen. De hoge jurisdictie betekent dat de schepenbank van Baarlo ook de doodstraf mocht uitspreken en uitvoeren. Het laatste doodvonnis in Baarlo werd voltrokken in 1706.

De twee herigheid heeft in de loop der jaren  veelvuldig tot veel conflicten geleid tussen beide heren. Ze zaten zich regelmatig in de haren over diverse zaken en hebben veel tegen elkaar geprocedeerd. Zo ontstond er ook een conflict toen het hof van Gelre bij ordonnantie van 5 november 1744 aan alle bezitters van een jurisdictie opdracht gaf een gevangenis te bouwen.  Er was schijnbaar veel willekeur bij het arresteren en het gevangen houden van personen o.a  op kasteel De Berckt onder slechte omstandigheden. Gezien de twee herigheid en de aard van de karakters van beide heren, lag hier weer de grond voor een conflict.

Een afschrift van de verdeling van de grens hebben wij op een eerder tijdstip op deze website gepubliceerd, zie hiervoor op deze pagina onder nr. 101.  Hierin werd de denkbeeldige grens die door het dorp liep exact aangegeven  Aangezien de Baron van Bierens veelvuldig in Brussel verbleef, machtigde hij de schout van Baarlo, de heer Wijhers, om namens hem de zaken te regelen, zoals de aankoop van materialen om de gevangenis te bouwen samen met baron d’ Olne.

Op 29 maart 1745 schreef Baron van Bierens een brief aan de schout van Baarlo met de klacht dat Baron d’ Olne in het begin van die maand een vreemdeling had aangehouden en deze gevangen gehouden zonder dat daar enige “schelmenstreken” ten laste waren gebracht. Baron de Bierens zei dat hij hiervan (als mede heer van Baarlo) niet op de hoogte was gebracht. Hij wees er tevens op dat hij nog niets had gehoord over de te bouwen gevangenis, die hij voor de helft zou betalen.

22 april 1745 werden Baron d’ Olne en Baron de Bierens opgeroepen om op het kantoor van de kanselarij te Geldern te verschijnen om het conflict over de te bouwen gevangenis te komen bespreken. Het geschil ging over de plaats van de te bouwen gevangenis.

Baron de Bierens wilde de gevangenis bouwen in de berg voor de kerk, terwijl Baron d’ Olne de gevangenis wilde bouwen  aan de rechterzijde naast de schepenbank, die voor de ingang van kerk stond.

Op 9 mei 1745 kwamen twee schepenen van Baarlo, Herman Verbraamhorst en Sander Sanders  namens Baron de Bierens, 15 Franse pistolen (geldstukken) aanbieden  aan Baron d’ Olne, deze was echter belet. (wilde hij het geld niet aannemen?) Zij hebben zij de pistolen toen ter hand gesteld aan de kapelaan, doch deze weigerde tot 2 x toe een kwitantie te geven. Zij geloofden dat “het geld hem niet aangenaam is geweest”

Ook de geestelijkheid was in de schermutselingen betrokken, de pastoor was schijnbaar op de hand van Baron de Bierens terwijl de kapelaan contacten had met Baron d’ Olne. De pastoor was een oom van de kapelaan Herman Ohmen.

Hierbij dient te worden aangetekend dat de Borcht, dus baron de Bierens het recht had de pastoor voor te dragen voor benoeming.

Tenslotte heeft volgens een door hem ondertekende kwitantie Baron d’ Olne toch de 15 pistolen in ontvangst genomen.

 Op 10 september 1745 werd namens Baron de Bierens door Schout Wijhers aan de schepenen ter hand gesteld “de somme van drij  dobbele Franse pistoolen ende acht enekele fransce pistoolen mitsgaders  elf ducaten in golt tot becostinge van het maecken van eene nieuwe gevangenisse alhier”

Over en weer werd geprobeerd de ander de gevangenis te laten bouwen zoals blijkt uit onderstaande akte van de  schepenbank:

Om alle twiste ende tweedracht voor te koemen soo presenteert den onderschrevene aen den heer baron van Bierens vijftien fransche pistoolen om eene gevangkenisse alhier in de heerlijkheijdt Baerlo te maecken waermeede men sal konnen volstaen aen de ordonnantie van den eedelen Hoove verleent op de requeste van sijne maiesteijts Raedt en Momboir en bij refues van den heer Baron van Bierens  den ondergeschreven het selve voor dien pries te doen op conditie dat de penningen als men aen den arbeijdt sal beginnen sullen moeten getelt worden.

Actum Baerlo den 27 september 1745. Baron van Olne.

Dese aen ons ondergeschrevenen te handt gestelt om aen de heer baron van Bierens te behandigen om sijne resolutie daerop te hebben.

Joachim Beurskens

T. Kessels

Schepenen

De maker  van de gevangenis was de meester metselaar  Jacob Fisschelen

Op 22 april 1746 werden beide heren opgeroepen op 10 mei 1746 om twee uur in de middag op de kanselarij te Geldern te verschijnen in de zaak van Baron d’ Olne tegen Baron de Bierens.

Op 17 mei 1746 werd  het bestek aan een onderzoek onderworpen door het hof van Gelre en worden o.a. de navolgende opmerkingen gemaakt:

“Dat hij vermeijnt dat op den voeth van het besteck bij den suppliant geformeert geen bequaem gevanckenisse met eenen doorslagh datter twee gevangens separatelijk konnen geseth worden, kan gemaeckt worden ende sulxs ijut oorsaecke dat jeder der twee plaetse geen genoegsame langhte ende breete soude hebben dat eenen gevangenen sigh genoegelijck daarinn soude konnen houden gelijkck bij afmeteinge met den pesser op de schaele komt te blijcken datte breete maer vijff voeten is binnen werek”.

De gevangenen hadden niet al te veel plaats getuige de aantekening  in het bestek: “Dat eene plaetse van 14 voeth in het vierkant suffisant is om eenen gevangenen daarin te stellen”

Er zouden twee cellen worden gebouwd breed vijf voet (1.50 meter) en een “wachtstove” voor degenen die de gevangenen moesten bewaken.  Er werd opgemerkt dat de deur vergeten was op te nemen om de gevangenen binnen te brengen. Tevens werd in het bestek melding gemaakt van een probleem dat kon ontstaan: “Dat door het tieren van de gevangenen den kerkcken dienst kan interrumpeert worden ende bij aldijen het gemeijntd huys voor eenen cappalaen gedestineert is, hetselven seer verdrietelijck soude voorkomen”

22 mei1746 staat onder aan de brief  een p.s.:

“Wij soude niet geerne eene contra teekeninghe van de welgesinde voor den Vrijheere van Bierens hebben, om de gemeente niet absoluut in twee partijen te deelen”  

Verder blijkt uit de brief dat Baron d’Olne de inwoners uit zijn gedeelte van de heerlijkheid had verplicht op straffe van een goud gulden (dat was toen veel geld) op het kasteel De Berckt te verschijnen. Dit blijkt uit onderstaande opdracht aan de gerechtsbode:

“Onsen gerichtsbode sal aan de buyten rotmeesters (buurthoofden) seggen dat uit ieder huys om half een ure een man op peene (straf) van eenen Golt gulden alhier op de Berckt moet komen.

Dit bevel was ondertekend door baron d’Olne. Het blijkt dat hij eigenhandig zonder schepenbank-(rechtbank) heeft gehandeld want er wordt bij vermeld dat geen der schepenen heeft ondertekend.

Hij heeft hun gevraagd te protesteren tegen het plan van baron de Bierens voor de bouw van een ondergrondse gevangenis.  Een voor een werd de aanwezigen gevraagd of ze tijdens het bewaken van de gevangenen, liever in een gat in de grond zouden zitten, vol stank en vuiligheid of in een goed wachthuis boven de grond en volgens enkelen zou hij het gemeentehuis (schepenbank) hebben genoemd. . De schrijver van de aantekening dacht dat hooguit 1/3 de bouwplannen van d’ Olne steunt.

Van beide plannen werden bestek en tekeningen gemaakt en ingediend bij het hof van Gelre.

“Bestek en condities waarbij beide Heren van de Heerlijkheid van Baarlo voor iedereen na voorgaande publicatie zullen aanbesteden van een gevangenis bestaande uit een onderaardse kelder met wachtkamer, in de berg voor de grote kerkpoort”.

Hierbij wordt nu opgemerkt dat het voor beiden onmogelijk was dit samen te doen zoals blijkt uit de perikelen ook niet zo verwonderlijk is gezien hun verstandhouding.

Op 15 augustus 1746 schreef baron de Bierens aan het hof van Gelre. Hij verbaasde zich. Hij bood aan 15 pistolen bij te dragen mits d’ Olne op zijn kosten een goede gevangenis bij de kerk zou laten bouwen. D’ Olne heeft schijnbaar het aanbod niet geaccepteerd.

Op 8 mei 1747 is tijdens dit geschil is de procureur van de kanselarij te Geldern in Baarlo geweest en is de griffier te Venlo tevens ter plaatse de situatie komen visiteren.

Op 10 mei 1747 werden er bezwaren ingebracht tegen de aanbouw aan de schepenbank vanuit de bevolking (aangestuurd door Baron de Bierens) o.a. over het verstoren van de rust bij de kerk cq kerkdiensten en de rust voor de kapelaan die daar (in de schepenbank) woont. Tevens werd uit oogpunt van veiligheid bezwaar gemaakt wegens de aanwezigheid van de “polvertoren”(kruidopslag), niet ver van de “Hart” poort. Uit de beschrijving van deze bezwaren blijkt dat de gevangenen vaak maanden niet uit de cel kwamen. (“er was vuiligheid en stank”).

Er is veel correspondentie over en weer naar het Hof van Gelre in de procesvoering.

Uit een op  22 april 1749 door baron  van de Bierens geschreven brief blijkt dat de “Tichelbeckers” (steenbakkers) Bartholomeus Gilsen (Gielen) en Jan Francis Baum een offerte hebben gemaakt om een steenoven te bouwen in “Oedtbroeck” voor het bakken van 12.000 stenen, waarvan 2/3 gebrande stenen en 1/3 gebleekte stenen (in de zon gedroogd, z.g. zonnebakkers) bestemd voor de te bouwen gevangenis.

Op 19 oktober 1750 is het proces nog steeds gaande en 28 oktober 1750 heeft Baron de Bierens wederom 15 pistoolen voldaan aan de Baron d’ Olne.

Uit bovenstaande kunnen we concluderen dat de gevangenis er inderdaad is gekomen en wel  de door baron d’Olne gewenste, aangebouwd aan de rechterzijkant van de schepenbank voor de kerkpoort.

Al met al blijkt weer eens dat de heren van de heerlijkheid Baarlo doorlopend met elkaar overhoop lagen en dat het steeds een strijd is geweest die vaak over de ruggen van de inwoners van Baarlo ging. Deze werden vaak door beide heren tegen elkaar uitgespeeld. Uiteindelijk werd in 1794 door de Franse bezetters aan deze scheve verhouding een einde gemaakt met de opheffing van de heerlijkheden.

Bron: RHCL 16.1117 nr. 116

© H. Brueren

117

 

ONDER DWANG VAN MILITAIRE EXECUTIE

Dat het in de Pruisische tijd niet gemakkelijk was voor de Baarlonaren blijkt uit onderstaand bevel van de Pruisische heren in Geldern.

Zo werden onder dwang 10 karren met paarden en   voerlui  gevorderd, zij moesten haver vervoeren van Arcen naar Wesel 58 km van Baarlo en 12 uren gaans te voet en dan nog terug. Ze bleven 3 dagen onderweg. De haver werd per schip aangevoerd naar Arcen en moest dan over land naar Wesel aan de Rijn. Er moest een verantwoordelijke begeleider mee die toezicht hield en de papieren moest overhandigen. Het speelt in dezelfde tijd als voorgaand artikel over de bouw van de gevangenis.

"Die van Baerlo sullen prompt leveren op den negenthienden deses sonder foute ten thien urhren voor den middagh binnen Aersen thien enckel bespanne karren met hoeven daerop, aldaer naer aenwiesinge sal jeder laeden vijff sacken haever en deselve vaeren naer Wesel bij dese karren moet eenen conducteur gestelt worden die deselve sal begleijden en medebrengen twee eensluijdende lijsten der naemen van sijne thien karre, waervan hij de eene aen  den heere Raedt ende momboir van Commission tot Geldern en de andere aen Adriaen van Broeckhuijsen sal overleveren, alles op pene van Militaire executie, Geldern den 15 april 1762"  

De 10 karren met begeleider werden geleverd door:

Joannes Beurskens                            2 karren

Joannes van de Weem                       2 karren

Hendrick Verhart                                1 kar

Joannes Deckers                                1 kar

Geerit Loeren                                     1 kar

Willem Jacobs                                    1 kar

Anna Sanders                                     1 kar

Willem Kessels                                   1 kar

Bron: RHCL 16.0514 nr. 2

© H. Brueren

 

 

 

 

archiefvaria